"Jullie erven te veel" is geen rechtsgrond
Er rolt een pleidooi door het publieke debat dat inmiddels als vanzelfsprekendheid wordt geserveerd: de babyboomgeneratie laat de komende decennia een golf aan erfenissen na — tussen de 25 en 30 miljard euro per jaar, nu al — dus moet de erfbelasting omhoog. Grote erfenissen zwaarder belasten, heet het dan, want vermogensongelijkheid. Het klinkt als beleid. Het is een gelegenheidsargument. En wie het juridisch uitkleedt, houdt weinig over.
Eerst precisie, want daar begint elke serieuze tegenlezing. De erfbelasting is niet onwettig: zij staat in een wet in formele zin, de Successiewet 1956, en voldoet daarmee aan het legaliteitsvereiste van artikel 104 Grondwet. De Nederlandse rechter mag die formele wet bovendien niet aan de Grondwet toetsen (artikel 120 Gw). Wie roept dat de erfbelasting "verboden" is, verliest het debat in de eerste alinea. De juiste vraag is een andere, en een veel ongemakkelijkere voor de verhogers: waarop rust deze heffing eigenlijk — en houdt die grondslag stand als je het tarief verder opvoert?
I. De rechtsgronden — en waarom ze alle vier wankelen
Een belasting zonder deugdelijke rechtsgrond is legislatieve willekeur met een aanslagbiljet. De fiscale doctrine draagt de erfbelasting traditioneel op vier gronden, en geen ervan draagt nog vol gewicht.
Het buitenkansbeginsel — erven is een onverwachte meevaller, en meevallers mogen zwaarder belast. Dit was ooit verdedigbaar, toen sterven onvoorspelbaar was en nalatenschappen verrassingen. In 2026 is een erfenis van ouders aan kinderen het meest voorspelbare vermogensfeit in een mensenleven. Kinderen die dertig jaar zien hoe hun ouders aflossen op een woning, ontvangen geen buitenkans; zij ontvangen het sluitstuk van een gezinshuishouding waaraan zij zelf onderdeel waren. Wie een volstrekt voorzienbare overgang binnen dezelfde familie als "windfall" kwalificeert, rekt het begrip tot het knapt.
Het draagkrachtbeginsel — de verkrijging vergroot de draagkracht van de erfgenaam. Op papier juist, in de uitvoering een fictie. De heffing knoopt aan bij de waarde in het economische verkeer op de sterfdatum, niet bij wat de erfgenaam liquide ontvangt. Wie een verhuurd pand, een aandeel in een onderneming of het ouderlijk huis erft, krijgt draagkracht op papier en een aanslag in euro's — binnen acht maanden. De belasting die draagkracht zegt te meten, dwingt met regelmaat tot verkoop van precies het vermogensbestanddeel waaruit die draagkracht zou moeten blijken. Een heffing die haar eigen grondslag liquideert, meet geen draagkracht; zij creëert nood.
De sluisgedachte — bij de overgang passeert vermogen een "sluis" en mag de fiscus meeheffen. Dit is geen rechtsgrond maar een gelegenheidsbeschrijving: er gebeurt iets, dus heffen we. Het miskent dat over ditzelfde vermogen al geheven is — als inkomen bij verwerving, als box 3-heffing tijdens het aanhouden, als overdrachtsbelasting en OZB bij vastgoed. De erfbelasting is de vierde of vijfde greep in dezelfde kas. Dat cumulatie van heffingen op zichzelf is toegestaan, maakt haar niet gerechtvaardigd; het maakt de vraag naar de zelfstandige rechtsgrond alleen dringender. Die vraag beantwoordt de sluisgedachte niet — zij ontwijkt haar.
Herverdeling — de grond waarop de huidige verhogingsgolf drijft. Maar herverdeling is een beleidsdoel, geen rechtsgrond, en het onderscheid is niet academisch. Een rechtsgrond rechtvaardigt waarom déze belastingplichtige déze heffing draagt; een beleidsdoel rechtvaardigt hooguit dat de staat ergens geld ophaalt. Wie herverdeling als grondslag accepteert, accepteert dat elke heffing op elke groep gerechtvaardigd is zodra een parlementaire meerderheid de uitkomst wenselijk vindt. Dat is geen belastingrecht meer; dat is smaak met dwang.
II. De Europese ondergrens: artikel 1 Eerste Protocol
Waar de Grondwet zwijgt, spreekt het EVRM. Elke belastingheffing is een inmenging in het eigendomsrecht van artikel 1 Eerste Protocol en moet een "fair balance" bewaren tussen algemeen belang en individuele last. De verdragsstaten genieten daarbij een ruime beoordelingsmarge — de erfbelasting als zodanig sneuvelt daarop niet, en wie anders beweert, verkoopt illusies. Maar die marge is niet onbegrensd, en Nederland heeft recent ondervonden waar de grens ligt.
In het Kerstarrest van 24 december 2021 haalde de Hoge Raad de box 3-heffing onderuit: een belasting die aanknoopt bij een verondersteld rendement dat de werkelijkheid stelselmatig miskent, schendt het eigendomsrecht en het discriminatieverbod. De les reikt verder dan box 3. Ook de Successiewet heft op ficties en forfaits — de waardering van vruchtgebruik en periodieke uitkeringen loopt zichtbaar uit de pas met de werkelijkheid, wat het ministerie zelf erkent nu het de forfaits wil "moderniseren". Een wetgever die het tarief verhoogt terwijl de grondslag op verouderde ficties rust, stapelt precies de combinatie die in het Kerstarrest fataal bleek: een zwaardere last op een grondslag die de werkelijke verkrijging niet meet.
Daar komt de individuele buitensporige last bij. Een erfgenaam die op sterfdatum wordt aangeslagen over illiquide vermogen, tegen verhoogde tarieven, met een betaaltermijn die tot gedwongen verkoop leidt, heeft een verdedigbare "individual and excessive burden"-klacht. Hoe hoger het tarief, hoe vaker die situatie zich voordoet, hoe kleiner de marge die Straatsburg de wetgever laat. Verhogen is dus niet fiscaal-technisch neutraal opschalen; het is de fair balance opzoeken met gesloten ogen.
III. "Jullie erven te veel" — wie betaalt de golf werkelijk?
Dan het cijfermatige hart van de verhogingscampagne: de erfenisgolf. De miljarden zijn echt. De verdeling van de rekening is het bedrog. Want wat is de samenstelling van die golf? Overwegend overwaarde op de eigen woning — vermogen dat niet door beleggingsvernuft is ontstaan, maar door twee decennia woningmarktbeleid, kunstmatig schaars aanbod en monetaire verruiming. De staat die de prijsexplosie mede veroorzaakte, presenteert zich nu als de gerechtigde tot de opbrengst ervan. Dat mag je fiscaal beleid noemen; rechtvaardigheid is het niet.
En de grote vermogens, het geadverteerde doelwit? Die plannen. Juridisch gespreid, tijdig geschonken, in vennootschapsstructuren ondergebracht — het ambtelijke onderzoek naar hervorming rekent er zelf op dat vermijdingsgedrag blijft bestaan. Een tariefsverhoging raakt dus het scherpst wie níet plant: het gezin met één huis, één spaarrekening en geen adviseur. De belasting die als instrument tegen vermogensongelijkheid wordt verkocht, drukt in de praktijk het hardst op de vermogensmiddenklasse en laat de top, waarvoor zij zogenaamd bedoeld is, door de mazen die de wet zelf openhoudt. Wie ongelijkheid wil bestrijden met een heffing die de best geadviseerden structureel ontzien, bestrijdt geen ongelijkheid; hij belast naïviteit.
IV. De generatierekening
Nu het argument dat de verhogers als moreel sluitstuk hanteren: de jongere generatie erft toch al zoveel. Draai het om. Dit is de generatie die de woningmarkt niet binnenkomt, wier studieschuld tot ver in de dertig doorloopt, wier pensioenopbouw is versoberd, en wier reële lonen jarenlang achterbleven bij de vermogensprijzen. Voor een groot deel van deze generatie is de erfenis van de ouders niet een luxe bovenop een verzorgd bestaan — het is het enige kanaal waarlangs de welvaart die hun ouders wél konden opbouwen hen nog bereikt. Precies dat kanaal extra belasten, met als motivering dat er "te veel" doorheen stroomt, is intergenerationele politiek van de kilste soort: de generatie die de vermogensgroei misliep, laten meebetalen aan de heffing over de vermogensgroei van hun ouders.
En het gebeurt op het enige moment waarop de belastingplichtige zich niet kan verweren: bij een sterfbed. Elke andere belasting kent een handelingsperspectief — minder werken, anders beleggen, verhuizen. De erfbelasting kent er één: eerder en beter plannen, bij leven. Vandaar dit blog.
V. Wat wél verdedigbaar zou zijn
Een tegenlezing die alleen afbreekt, is een pamflet. Dus: een Successiewet die de toets der kritiek kán doorstaan, heft op werkelijke, liquide verkrijgingen in plaats van op ficties; kent betalingsregelingen die gedwongen verkoop uitsluiten; behandelt de voorzienbare gezinsoverdracht fundamenteel anders dan de werkelijke buitenkans van een verre verwant; en formuleert een rechtsgrond die ook zonder het woord "ongelijkheid" overeind blijft. De huidige verhogingsvoorstellen doen niets van dit alles. Zij verzwaren een heffing waarvan de fundering al scheurt, en noemen het rechtvaardigheid omdat de opbrengst goed voelt.
Een belasting die alleen nog door haar opbrengst wordt gerechtvaardigd, is geen belasting meer. Het is een greep — met terugwerkende kracht op een mensenleven sparen, uitgevoerd op de dag dat de spaarder het niet meer kan navertellen.
← alle dagen