Successiewet 1956 — tegenlezingEditie 2026

DE VRIJSTELLING

Dag 012 · Actualiteit

Drie reparaties, drie bekentenissen: wat de wetgever in 2026 toegaf zonder het te zeggen

11 augustus 2026 · leestijd 6 min · Belastingplan 2026 · Successiewet 1956

Er bestaat een soort wetgeving die meer onthult dan zij regelt, en het Belastingplan 2026 bevat er drie voorbeelden van tegelijk. Sinds 1 januari van dit jaar is de aangiftetermijn voor de erfbelasting verlengd van acht naar twintig maanden — en begint ook de belastingrente pas na die twintig maanden te lopen. De beruchte 180-dagenregel, die schenkingen kort voor het overlijden alsnog bij de nalatenschap telde, blijft bestaan, maar is administratief vereenvoudigd: zulke schenkingen vallen voortaan uitsluitend onder de erfbelasting, zodat er geen aparte schenkbelastingaangifte meer nodig is. En biologische kinderen zonder juridische familieband worden voortaan gelijkgesteld met erkende kinderen: kindvrijstelling, kindtarief, in plaats van de dertig tot veertig procent voor "overige verkrijgers". Drie verbeteringen, en dit blog gaat ze niet kleineren: elk van de drie maakt de wet minder wreed of minder willekeurig, en wie daarvoor heeft gepleit, verdient de erkenning. Maar lees de drie reparaties nog eens, langzaam — en zie wat de wetgever met elk ervan heeft toegegeven.

Voor wie het praktisch wil: bij een overlijden op of na 1 januari 2026 geldt de termijn van twintig maanden; voor overlijdens in 2025 of eerder nog de oude acht. Schenkingen binnen 180 dagen vóór zo'n overlijden tellen nog altijd mee bij de nalatenschap, maar worden sindsdien alleen nog belast via de erfbelasting — met haar eigen, vaak ruimere vrijstellingen — in plaats van eerst via de schenkbelasting. En de gelijkstelling van biologische kinderen vergt bewijs van het ouderschap, desnoods per DNA-onderzoek.

Bekentenis één: acht maanden op een rouwproces was niet te verdedigen

Waarom werd de termijn verlengd? De toelichtingen zijn opvallend openhartig: acht maanden bleek in de praktijk te kort — de laatste aangifte inkomstenbelasting komt later, de WOZ-waarde volgt pas maanden na het overlijden, de waardering van een woning of onderneming kost tijd, en dat alles in een periode die de betrokkenen aan iets anders zouden willen besteden. Alles waar. Maar merk op wat hier gebeurt: de staat erkent, zwart op wit, dat zijn eigen invorderingskalender decennialang niet paste op de werkelijkheid van een sterfgeval. Elke nabestaande die sinds 1956 in paniek een huis liet taxeren tussen de condoleances door, elke familie die belastingrente betaalde over een verdriet dat niet opschoot — zij hadden al die jaren gelijk, en de wet had het mis. De reparatie is welkom. De bekentenis die erin zit, is groter: een belasting waarvan het invorderingsmoment pas na zeventig jaar op de rouw wordt afgestemd, heeft al die tijd geheven zonder naar de betaler te kijken.

Bekentenis twee: de dubbele aangifte was zelf het probleem

De 180-dagenregel bestaat om één reden: verhinderen dat wie het einde ziet naderen, zijn vermogen nog snel belastingvrij wegschenkt. Zij deed en doet dat met een fictie — schenkingen uit de laatste zes levensmaanden gelden alsnog als erfrechtelijke verkrijging — en die fictie zelf is niet afgeschaft: wie vlak voor het overlijden schenkt, ontloopt de heffing nog altijd niet. Wat wél verdween, is de manier waarop de wet die fictie tot dit jaar afhandelde: de begunstigde moest eerst schenkbelasting aangeven en betalen, en vervolgens, bij het overlijden, nogmaals erfbelasting — met een verrekening van het al betaalde bedrag om dubbele heffing te voorkomen. Twee aangiftes, twee loketten, voor één verkrijging. Sinds 1 januari 2026 is dat teruggebracht tot één: de schenking valt direct en uitsluitend onder de erfbelasting, met de erfbelastingvrijstellingen — voor een kind bijna vier keer zo ruim als de jaarlijkse schenkvrijstelling. Notarieel Nederland noemde dit bij de aankondiging vooral een administratieve verbetering, en dat is het ook. Maar de vraag die de reparatie niet stelt, is waarom de wet zeventig jaar lang twee aangiftes, twee loketten en een verrekeningsmechanisme nodig had om één en dezelfde vermogensovergang te belasten. Een systeem dat zijn eigen dubbele boekhouding moet afschaffen omdat zij niemand diende behalve de complexiteit zelf, geeft toe dat de scheiding tussen schenk- en erfbelasting — twee wetten voor wat één overgang is — nooit meer was dan een boekhoudkundige grens.

Bekentenis drie: de tariefgroepen waren willekeur

De derde reparatie is de stilste en de diepste. Tot dit jaar betaalde een biologisch, niet-erkend kind over de erfenis van zijn eigen vader het vreemdentarief: dertig tot veertig procent, met een vrijstelling van een paar duizend euro — omdat het papier ontbrak. Sinds 1 januari telt de biologie, mits bewezen; de Hoge Raad oordeelde al op 6 september 2024 dat het oude onderscheid de artikelen 8 en 14 EVRM schond. Rechtvaardig? Volstrekt. Maar sta stil bij wat de correctie erkent: dat de indeling die bepaalt of iemand tien of veertig procent betaalt — het hart van de hele tariefstructuur — decennialang kinderen van hun eigen ouders heeft behandeld als vreemden, op grond van een formaliteit, tot een rechter erin moest hakken. Wie op dát punt door de mand valt, nodigt de vervolgvraag uit die dit blog al stelde in hoofdstuk 2 van het Standaardwerk: waarom betaalt een kleinkind — bloedeigen, tweede graad — tot zesendertig procent, bijna het dubbele van een kind? Welk beginsel draagt dát onderscheid, nu de wetgever heeft toegegeven dat zijn indelingen herzien moeten worden zodra iemand — een rechter, ditmaal — ze ernstig bekijkt?

Het patroon

Drie reparaties in één jaar, en alle drie volgen zij hetzelfde stramien: een scherpe rand die critici jarenlang aanwezen, door verdedigers jarenlang werd weggewuifd, en nu geruisloos wordt afgevijld — zonder dat iemand de logische slotsom trekt. Want een belasting die haar invorderingsmoment moet verleggen omdat het op rouw niet paste, haar dubbele aangifteplicht moet schrappen omdat die niemand diende, en haar tariefgroepen moet corrigeren omdat een rechter ze willekeurig noemde, vertelt met elke reparatie hetzelfde verhaal: dat de critici de wet beter kenden dan haar makers. Oostenrijk heeft dit traject voltooid doorlopen — repareren, repareren, en toen de laatste reparatie de heffing eerlijk en dus zichtbaar zou maken, koos het parlement afschaffing. Nederland vijlt nog. Elke vijlstreek is winst voor wie morgen erft, en dit blog boekt ze dankbaar in. Maar niemand hoeft te doen alsof het houtsnijwerk is: het is een heffing die onder het toezien van haar eigen wetgever wordt afgebroken, rand voor rand, tot ooit iemand in Den Haag opmerkt wat in Wenen al in 2008 werd opgemerkt — dat er onder de randen geen kern zat. Hoe dat Oostenrijkse traject precies verliep, en welke drie andere landen langs hun eigen route tot dezelfde uitkomst kwamen, staat in hoofdstuk 5 van het Standaardwerk. Wat u intussen met de nieuwe regels kunt, staat in de instrumentele stukken; wat de reparaties uw eigen aanslag schelen, rekent de rekentool; waarom de kern moet verdwijnen, in het manifest.

Veelgestelde vragen

Wat is de aangiftetermijn voor de erfbelasting in 2026?

Voor overlijdens op of na 1 januari 2026: twintig maanden na de overlijdensdatum, en de belastingrente start ook pas daarna. Voor overlijdens in 2025 of eerder geldt nog acht maanden — controleer de brief van de Belastingdienst.

Is de 180-dagenregel afgeschaft in 2026?

Nee. Schenkingen binnen 180 dagen vóór het overlijden tellen nog altijd mee bij de nalatenschap. Wat wijzigt: voor overlijdens vanaf 1 januari 2026 vallen die schenkingen uitsluitend onder de erfbelasting — een aparte schenkbelastingaangifte is niet meer nodig.

Wat betekent de gelijkstelling van biologische kinderen?

Biologische kinderen zonder juridische familieband krijgen sinds 2026 de kindvrijstelling (€ 26.230) en het kindtarief van 10% tot 20%, in plaats van 30% tot 40%. Het ouderschap moet worden aangetoond, bijvoorbeeld met DNA-onderzoek.

← alle dagen