Successiewet 1956 — tegenlezingEditie 2026

DE VRIJSTELLING

Dag 008 · Essay

De cirkel: hoe twee belastingen elkaar rechtvaardigen en samen nergens op rusten

31 juli 2026 · herzien 7 augustus · leestijd 8 min

In de rechtstheorie bestaat een klassieke toets voor de houdbaarheid van een normenstelsel: volg elke rechtvaardiging terug naar haar bron. Een norm mag rusten op een andere norm, maar ergens moet de keten eindigen bij een grond die zelfstandig overtuigt — anders hangt het bouwwerk in de lucht. Dit essay past die toets toe op het merkwaardigste duo van het Nederlandse belastingrecht: de erfbelasting en de schenkbelasting, twee heffingen die bij navraag telkens naar elkáár wijzen. Het resultaat is geen polemiek maar een sluitrede, en zij begint bij het meest gehoorde verdedigingsargument van dit decennium.

Dat argument, in de formulering waarin het talkshows en opiniepagina's haalt: erfgenamen zijn tegenwoordig vijftigers en zestigers; tegen de tijd dat de erfenis komt, is het huis gekocht, de studie betaald, de nood geleden. De erfbelasting treft dus geen behoeftige starters maar gearriveerde volwassenen — en wie zijn kinderen op het júiste moment wil helpen, moet gewoon eerder geven. Als empirische observatie is dit correct: de gemiddelde erflater is diep in de tachtig, de gemiddelde erfgenaam ver in de vijftig, en de erfenisgolf arriveert inderdaad decennia na de levensfase waarin het vermogen het verschil had gemaakt. De vraag is alleen: waardoor gaat vermogen zo laat over? En hier begint de cirkel.

I. De anatomie van de blokkade

Hoeveel mag een ouder in 2026 belastingvrij schenken aan een kind? € 6.908 per jaar — ouders tellen samen als één schenker. Eenmalig, tussen het achttiende en veertigste jaar van het kind, € 33.129, of € 69.009 voor een aantoonbaar dure studie. De enige vrijstelling die ooit substantieel genoeg was om een woningaankoop te dragen, de verhoogde schenkingsvrijstelling eigen woning van ruim een ton — de jubelton — is per 1 januari 2024 volledig afgeschaft. Alles boven de vrijstellingen wordt onmiddellijk belast tegen dezelfde tarieven als een erfenis: tien procent tot € 158.669, twintig daarboven. Zet daar de markt naast waarop geschonken zou moeten worden: een bestaande koopwoning kostte in 2025 gemiddeld € 480.000 (CBS/Kadaster), in maart 2026 al € 494.605. De jaarlijkse vrijstelling bedraagt ruim één procent van dat bedrag. De wet staat "eerder geven" dus toe — in doses die op de relevante markt niets vermogen, en belast elke dosis die wél iets zou vermogen.

Wie nu verwacht dat dit blog de jubelton terugverlangt, leest verkeerd — en hier hoort de eerlijke concessie. De jubelton wás slecht beleid. De evaluaties waren vernietigend en terecht: de regeling kwam disproportioneel terecht bij kinderen van vermogende ouders, subsidieerde vraag op een markt met vast aanbod en dreef zo de prijzen op die zij bereikbaar moest maken. Haar afschaffing was verdedigbaar. Maar let op wat er met dat inzicht vervolgens gebeurde. De juiste diagnose — overdrachtscapaciteit is ongelijk verdeeld en generieke schenkingssubsidies vergroten die ongelijkheid — leidde niet tot beleid dat de onderliggende ongelijkheid aanpakt, maar tot het dichtzetten van de overdracht voor iedereen. En vervolgens keert het feit dat vermogen nu pas bij overlijden overgaat terug in het debat — als argument vóór de erfbelasting.

II. De cirkel, formeel

Maak de redenering expliciet, want haar kracht zit in de verhulling. Vraag: waarom is de schenkbelasting gerechtvaardigd? Antwoord van de wetgever en de handboeken: als sluitstuk van de erfbelasting — zonder haar zou ieder vooruitziend gezin het vermogen bij leven wegschenken en bleef van de heffing bij overlijden niets over. De schenkbelasting heeft dus geen eigen bestaansgrond; zij is hekwerk. Vraag vervolgens: waarom is de erfbelasting gerechtvaardigd? Onder de moderne antwoorden prijkt steevast: omdat vermogen toch pas laat overgaat, aan verkrijgers die het niet meer nodig hebben. Maar die laatheid is geen natuurverschijnsel — zij is het product van het hekwerk uit de eerste vraag. De erfbelasting rechtvaardigt de schenkbelasting; de schenkbelasting produceert het feit dat de erfbelasting rechtvaardigt. Dit is, in de klassieke zin, een petitio principii op stelselniveau: de conclusie zit in de premissen, en de keten van rechtvaardigingen eindigt nergens. In de lange lezing is onderzocht of er onder deze cirkel nog een zelfstandige rechtsgrond ligt — buitenkans, draagkracht, sluisgedachte, herverdeling — en het antwoord was viermaal nee. De cirkel draait dus niet óm een fundament heen. Zij draait in de lucht.

Het beste verweer verdient vermelding. Men kan betogen dat de samenhang geen cirkel is maar systeem: de wetgever wil vermogensoverdracht per generatie éénmaal belasten, en schenk- en erfbelasting zijn slechts twee loketten van diezelfde ene heffing — wanneer je betaalt is vrij, dát je betaalt staat vast. Dat is de sterkste beschikbare reconstructie, en zij verdient een precies antwoord: zij verschuift het probleem zonder het op te lossen. Want nu moet de éne onderliggende heffing — "de overgang van gezinsvermogen tussen generaties wordt belast" — zelf een rechtsgrond aanwijzen, en dat is exact de vraag die de Successiewet in zeventig jaar niet beantwoord heeft. Bovendien verklaart de systeemlezing niet waarom die ene heffing dan zó is ingericht dat zij overdracht op het nuttige moment zwaarder ontmoedigt dan overdracht op het nutteloze: wie schenkt wanneer het kind een huis koopt, rekent direct af; wie wacht tot de uitvaart, geniet de vrijstelling van € 26.230 en de aangiftetermijn na overlijden. Een stelsel dat neutraal wil heffen over de generatie-overgang, zou timing-neutraal zijn. Dit stelsel beboet het geven op het moment dat geven zin heeft.

III. Wat er buiten de cirkel staat

Buiten de cirkel staat een generatie aan keukentafels. Ouders met een afgelost huis en de wil om te helpen; kinderen met een vast contract die op elke bezichtiging worden overboden door kopers zonder hypotheek. De wet biedt dit gezin welgeteld drie routes: schenken en afrekenen, jaarlijks druppelen binnen de vrijstelling — een marathon van decennia — of wachten op de begrafenis. Dat laatste is fiscaal de gunstigste route, en dus de route die het stelsel feitelijk aanmoedigt: de Successiewet subsidieert het uitstellen van hulp tot na de dood. Landen die de cirkel doorbraken, deden dat aan beide kanten tegelijk: Zweden schafte erf- én schenkbelasting in één beweging af, precies omdat de twee alleen samen kunnen bestaan — en alleen samen kunnen verdwijnen. Sindsdien helpen Zweedse ouders hun kinderen wanneer de hulp nodig is. Bij leven, onbelast, zoals gezinnen doen wanneer de wet het ze niet verbiedt. Wat wij vinden dat Nederland te doen staat, staat in het manifest; wat wachten uw eigen gezin kost, rekent het rekenformulier voor. Hoe een stelsel dat wél timing-neutraal heft eruitziet, bouwt hoofdstuk 8 van het Standaardwerk uit.

Veelgestelde vragen

Hoeveel mag ik in 2026 belastingvrij schenken aan mijn kind?

€ 6.908 per jaar (ouders samen als één schenker); eenmalig € 33.129 (18–40 jaar) of € 69.009 voor een dure studie. Daarboven: 10% tot € 158.669, 20% over het meerdere. De jubelton is per 2024 afgeschaft.

Was de afschaffing van de jubelton terecht?

De kritiek was gegrond: de regeling bevoordeelde vermogende gezinnen en stuwde de prijzen. Maar de beleidsreactie — overdracht voor iedereen blokkeren en het late erven vervolgens als rechtvaardiging van de erfbelasting aanvoeren — maakt van een terechte diagnose een cirkelredenering.

Wat is die cirkelredenering precies?

De schenkbelasting bestaat als sluitstuk van de erfbelasting; de erfbelasting wordt verdedigd met de late vermogensovergang die de schenkbelasting zelf veroorzaakt. Twee heffingen die elkaar als grond aanwijzen, hebben samen geen zelfstandige rechtsgrond.

← alle dagen